Nishio sensei vertelde tijdens een interview in 1984 met Aiki News een verhaal over Koichi Tohei. Tohei is een van de bekendste figuren in de aikidowereld. Hij introduceerde aikido in 1953 in Hawaï en was daarin zeer succesvol. Dankzij zijn inspanningen kwamen er vele aikidodojo’s van de grond met duizenden studenten, veelal met een judo- en kendo-achtergrond. Na een verblijf van een jaar keerde hij terug naar Japan waar hij door de uchideshi en studenten van de Aikikai Hombu Dojo als een held werd gezien. Uiteindelijk ontving hij als eerste in aikido de tiende dan.

Bij zijn terugkeer uit Hawaï na zijn eerste verblijf had hij een leren jas bij zich; een jas met franjes zoals je die in Westerns ziet. In die tijd waren dat soort jassen niet in Japan te krijgen. Het was zelfs onmogelijk aan leren schoenen te komen. Die jas werd vakkundig gestolen. Het was net gebeurd toen ik bij de dojo arriveerde voor mijn training. Alle uchideshi, waaronder Noguchi, Genta Okumura en Sunadomari, zaten in seiza en ik hoorde Tohei schreeuwen.
Plots verscheen osensei. ‘Wat is er aan de hand?’vroeg hij. Sunadomari legde uit wat er gebeurd was.
Osensei antwoordde alleen maar: ‘Oh, hij is gestolen?’
Toen stapte hij de dojo binnen. Hij liep een beetje heen en weer. We vroegen ons af wat hij ervan zou zeggen. Dat werd snel duidelijk.
’Jij bent degene die het te verwijten valt, Tohei’, zei hij. Zonder verder commentaar verdween hij weer.
Tohei bleef een tijdlang zwijgend zitten. Daarna verliet ook hij de dojo. Iedereen was opgelucht en de training kon dan toch beginnen.
Na de les kwam ik osensei tegen. Ik vroeg hem waarom het Tohei’s schuld was dat de jas gestolen was.
‘Begrijp je dat niet?’ vroeg hij. Budoka’s moeten over een andere geest beschikken. Men moet niet pronken met dingen die een ander graag zou hebben. Je kunt pronken met dingen die je kunt weggeven, anders niet. De arme man. Hij nam de jas weg omdat hij hem graag wilde hebben. Maar door hem weg te pakken werd hij een dief. Het is niet erg dat de jas werd gestolen, wat erg is dat de man een dief werd. Stelen is slecht, maar de man wiens jas werd gestolen beging de eerste zonde. Hij creëerde de gelegenheid voor een opening (suki) in de man. Dat is slecht voor een budoka.’
Ik was zeer verbaasd over zijn standpunt, maar ik leerde erdoor de diepte van aikido.

Osensei verweet Tohei niet alleen dat deze op zo’n uitdagende wijze met zijn flitsende jas liep te pronken, maar ook dat hij, als krijgskunstenaar, niet had voorkomen dat de diefstal gebeurde.
Interessant aan deze anekdote is dat de reactie van osensei zijn perspectief als krijgsman blootlegt. Vanwege zijn religieuze inzichten waren veel van osenseis lessen verpakt in op het Shintoïsme gebaseerde beelden. Deze werden door de moderne Japanner niet begrepen. Dat gold ook voor zijn leerlingen. Ze konden hem niet of nauwelijks volgen tijdens zijn frequent voorkomende uiteenzettingen en stopten ernaar te luisteren. De les uit de anekdote daarentegen is voor iedereen gemakkelijk te begrijpen.
Tohei was een jonge zeer getalenteerde leraar die op handen gedragen werd door zowel beginners als zijn aikidogelijken vanwege datgene wat hij bereikt had in Amerika, de overwinnaar van de tweede wereldoorlog. Met zijn technische bekwaamheid en zijn onderwijskwaliteiten had hij de krijgsgemeenschap van Hawaï in betovering gebracht en gedomineerd. Tot die gemeenschap behoorden ook vele sterke krijgers die boven hem uit torenden. In dit licht bezien is het begrijpelijk dat hij naast zijn schoenen liep.
Als we het bekijken vanuit het standpunt van een krijgsman komen een aantal interessante kwesties naar voren. Er is het punt van gebrek aan alertheid bij het slachtoffer van de diefstal. Immers hij liet een waardevol en gewild object achter op een plaats waar het gestolen kon worden. Een ander punt gaat over het begrip van gehechtheid. Juist omdat Tohei zo gehecht was aan zijn jas vanwege zeldzaamheid en hoge kosten, was het verlies extra pijnlijk. Een dergelijke gehechtheid beïnvloedt het beoordelingsvermogen van een budoka.
Op een subtieler niveau suggereert het antwoord van osensei dat budoka zich uitermate bewust moeten zijn van hun omgeving. Ze moeten de sociale, economische en politieke situatie waarin ze zich bevinden begrijpen. Ze moeten potentieel gevaar voor personen en eigendom kunnen aanvoelen en hun plannen daarnaar richten.
Kortom, budoka zouden zich de in de dojo geleerde lessen moeten eigen maken, zodat ze deze in het dagelijkse leven kunnen toepassen. Kunnen ze dat niet of niet altijd dan geven ze zich bloot en zijn ze kwetsbaar. Als iemand zich blootgeeft - een zwakke plek laat zien – heet dat in het Japans ‘suki’.
Dan is er nog het filosofische niveau. Uit de les van osensei komt de verantwoordelijkheid naar voren voor de gevolgen van onze acties of van onze niet-acties voor de mensen om ons heen. De grondlegger van aikido beschouwde alle mensen als deel van een wereldfamilie en in het bezit van een goddelijke natuur. We kunnen misschien niet direct het gedrag van anderen beheersen, we kunnen wel een goede (én slechte) invloed uitoefenen, wat afhangt van de mate van ons bewustzijn en ons morele karakter …

Door Stanley Pranin
Het hele artikel (in het Engels) kun je vinden op:http://www.aikidojournal.com/article?articleID=695

Vertaling Wim Heijnen, 6 juni 2009